Claudia Emck

5/01/2011

Drs. Claudia Emck is psycholoog en psychomotorisch therapeut en zij spreekt op de kennisdag over de psychomotorische kenmerken bij kinderen met autisme, gedrags- en emotionele stoornissen.

 

 

 

Amsterdam, 23 november 2010

1. Wanneer heeft u de verbinding gelegd tussen Lichaam en Geest?

Op persoonlijk vlak was ik al op vroege leeftijd bewust van de samenhang tussen lichaam en geest. Tijdens turnen zei mijn trainster dat ik rechtop moest lopen en moest lachen naar de jury. Als ik een dag niet zo vrolijk was, merkte ik dat ik anders bewoog en bijvoorbeeld meer voorovergebogen liep. Ik denk dat ik me er vanaf toen bewust van werd dat er een connectie bestond tussen psychologische mechanismen, emoties, gedrag en bewegen. Dit werd mij later ook op beroepsmatig vlak duidelijk. Als gymdocent leerde ik kinderen bewegen, maar tegelijkertijd merkte ik dat bewegen (sporten) tevens invloed had op het gedrag en het gevoel van de leerlingen. In mijn latere werk als psycholoog keek ik juist andersom, eerst naar het gedrag en de gevoelens van kinderen en vervolgens naar hoe dat zich in beweging vertaalde.

2. Waar ligt de focus in uw werkveld, op het lichaam of op de geest?

Ik ben als psycholoog werkzaam op de faculteit bewegingswetenschappen en heb daarom te maken met twee werkvelden; psychologie en bewegingswetenschappen. Op de faculteit bewegingswetenschappen is men primair geïnteresseerd in bewegen, motoriek en coördinatie (het lichaam) en minder in psychologische aspecten die daarbij een rol spelen (de geest). Ik werk op de relatief kleine afdeling psychomotorische therapie waar deze disciplines samenkomen.

In de reguliere psychologie is er weinig aandacht voor het lichaam en de rol die deze speelt bij de geestelijke gesteldheid van mensen. Al zijn er specialisaties met meer aandacht voor het lichaam. In de ontwikkelingspsychologie is er bijvoorbeeld van oudsher wel aandacht voor motoriek en beweging, maar de koppeling naar de praktijk (behandelingen en interventies) ontbreekt. Tijdens mijn opleiding psychologie in Utrecht werden er keuzevakken aangeboden die dieper ingingen op de fysiologische en biologische (lichamelijke) aspecten van geestelijke gezondheid, maar ook daarin ontbrak jammer genoeg de vertaalslag naar de praktijk.

Samenvattend kwam het lichamelijke aspect in mijn studie psychologie weinig aan de orde. Ik merk wel dat er tegenwoordig meer aandacht voor is. Zo wordt er bijvoorbeeld op de Vrije Universiteit een minor psychomotorische therapie aangeboden waarvoor steeds meer psychologie studenten zich inschrijven. Die minor wordt tevens gevolgd door studenten van de faculteit bewegingswetenschappen, waardoor studenten uit twee vakgebieden elkaar ontmoeten en vanuit twee perspectieven worden opgeleid.

3. Tegen welke obstakels loopt u aan in het werkveld?

Er is naar mijn mening nog te weinig samenwerking tussen bewegingswetenschappers, psychologen en neurowetenschappers. Daarnaast is het voor psychomotorische onderzoekers zoals ik moeilijk om financiering rond te krijgen of deelnemers voor onderzoek te werven. Als psychomotorisch onderzoeker werk ik in een schemergebied tussen bewegingswetenschap en psychologie. Toen ik kinderen met psychiatrische stoornissen nodig had voor mijn onderzoek, merkte ik dat er nog geen instellingen zijn die zich structureel committeren aan psychomotorisch onderzoek. Uiteindelijk heb ik vijf instellingen bereid geworven, maar dat kostte veel tijd en moeite.

Een ander obstakel is dat er nog te weinig wederzijds begrip is tussen de verschillende vakgebieden. In mijn huidige onderzoek naar grof motorische kenmerken bij kinderen met autisme, zie ik bijvoorbeeld dat deze kinderen duidelijk een slechtere grove motoriek hebben en fysiek minder fit zijn. Andersom blijkt dat kinderen die naar de fysiotherapeut gestuurd worden omdat zij een slechte motoriek hebben of een lage fysieke fitheid tevens kenmerken van autisme vertonen. Er is nu zowel bij de fysiotherapeut als bij de psycholoog nog te weinig kennis over deze samenhang.

Als psycholoog en psychomotorisch therapeut merk ik dat patiënten met geestelijke problematiek zich 'gezien' voelen als hun lichaam bij de therapie betrokken wordt. Bij kinderen werkt een bewegingsgerichte aanpak bovendien goed omdat het voor hen logisch is via spel en bewegingen te werken. Bij patiënten met lichamelijke klachten is er meer weerstand wanneer het geestelijke aspect erbij betrokken wordt. Dit heeft denk ik voornamelijk te maken met het idee in onze samenleving dat men niet verantwoordelijk is voor lichamelijke problemen maar wel voor psychische problemen. Mensen voelen zich vaak schuldig als ze geestelijke problemen hebben. Als je als therapeut die schuldvraag zou kunnen omzeilen, denk ik echter dat ook deze patiënten meer open zullen staan voor de samenhang tussen lichamelijke en psychische klachten.

4. Hoe ziet u de toekomst voor de gezondheidszorg, wat zou u graag veranderen?

Ik zou het mooi vinden als psychologen, bewegingswetenschappers en neurowetenschappers meer samenwerken en dat er meer onderzoek naar interventies en behandelingen wordt gedaan. Samenwerking, wederzijds begrip en kennisoverdracht is essentieel. Zoals ik al eerder aangaf, is er bij bijvoorbeeld kinderpsychologen nog niet veel kennis over motorische kenmerken en bij kinderfysiotherapeuten nog niet over kenmerken van psychiatrische stoornissen. Daarom ontwikkelen wij momenteel een diagnostisch instrument welke een brug kan slaan tussen beide disciplines. Een soort richtlijn die ook kinderpsychotherapeuten en kinderfysiotherapeuten kunnen gebruiken om hun behandeling aan te passen. Tot slot hoop ik dat er in de toekomst instellingen komen die zich structureel committeren aan psychomotorisch onderzoek.

©2012 lichaamengeest.nl  |  Sitemap