Christina van der Feltz-Cornelis
28/12/2010
Prof. Dr. Christina van der Feltz-Cornelis is hoogleraar sociale psychiatrie aan de Universiteit van Tilburg en programmahoofd 'Diagnostiek & Behandeling' bij het Trimbos-instituut. Op de kennisdag geeft zij een plenaire lezing over lichamelijk onverklaarbare klachten en somatisch-psychiatrische comorbiditeit.
Amsterdam, 8 december 2010
1. Wanneer heeft u de verbinding gelegd tussen Lichaam en Geest?
Ik werd mij bewust van de relatie tussen lichaam en geest tijdens zingen. Ik heb altijd veel gezongen maar in mijn twintiger jaren ging dat opeens minder goed. Mijn zanglerares wees mij erop dat ik mijn kaak vastzette tijdens het zingen en vroeg mij daarop te letten. Toen ik dat deed merkte dat ik mijn kaak vastzette in situaties dat ik mij niet goed kon uiten. Ik slikte destijds bij moeilijke situaties veel dingen in. Vanaf toen ben ik gaan proberen op een andere manier met moeilijke situaties om te gaan en ging het zingen automatisch beter.
Beroepsmatig is mijn interesse in de relatie tussen lichaam en geest ontstaan tijdens mijn werk als assistent interne geneeskunde, waarbij de insteek het behandelen van lichamelijke klachten is. Ik behandelde daar dagelijks een ernstig zieke vrouw met terminale kanker. Zij was er zo slecht aan toe dat ik het wonderbaarlijk vond dat zij in leven bleef. Het viel mij op dat er nooit familie voor haar kwam en dat ik eigenlijk de enige was met wie ze echt contact had. Toen ik na een aantal maanden werd overgeplaatst naar een andere afdeling en haar dat vertelde, overleed ze nog diezelfde dag. Ik besefte mij toen dat het haar wil geweest moet zijn die haar zolang in leven heeft gehouden. Toen met mijn vertrek haar laatste menselijke contact wegviel, verloor zij die wil en overleed zij. Deze gebeurtenis speelde zich af voordat ik psychiatrie ben gaan studeren, maar heeft mijn denken over de verbinding tussen lichaam en geest en de rol die menselijke relaties spelen, erg gevormd.
2. Waar ligt de focus in uw werkveld, op het lichaam of op de geest?
Toen ik begon met werken als psychiater werden lichamelijke en geestelijke klachten meestal los van elkaar gezien en behandeld. Ik behandelde patiënten met geestelijke problematiek in het ziekenhuis, sprak daar een aantal keer met hun, stemde medicatie af en vervolgens gingen de patiënten weer naar huis. Ik vond dat deze aanpak vaak tekort schoot. Ik wilde graag behandelingen ontwikkelen voor buiten het ziekenhuis (meer in de maatschappij) die zich zowel op het geestelijke, als het lichamelijke aspect van klachten richten. Voor onderzoek naar de combinatie van lichamelijke en geestelijke klachten was destijds echter geen subsidie te krijgen. Er was weinig interesse vanuit beleidsmakers voor onderwerpen als comorbiditeit en een gebrek aan fondsen die dergelijk onderzoek wilden steunen.
Er bleek vanuit het werkveld van de huisartsen wél een grote behoefte te zijn aan naar meer kennis over psychische en somatisch onverklaarbare klachten. Ik ben daarom gepromoveerd op psychiatrisch consult in de huisartsenpraktijk. Het boek dat ik hiervoor schreef verkocht heel goed en dat creëerde aandacht bij fondsen en beleidsmakers. Er kwam meer geld voor verdere ontwikkeling, waardoor de laatste jaren veel veranderd is wat betreft het denken over lichaam en geest en de behandeling van klachten. Aanstaande februari komt er bijvoorbeeld een multidisciplinaire SOLK (somatische onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten) richtlijn uit voor huisartsen. Deze kan de behandeling van patiënten met onverklaarbare klachten verbeteren.
3. Tegen welke obstakels loopt u aan in het werkveld?
Toen ik begon met werken in de jaren negentig, konden patiënten vaak moeilijk accepteren dat hun lichamelijke klachten verband hielden met hun psyche. Destijds hing er een stigma op psychische klachten en werd gedacht dat er weinig aan geestelijke problemen te doen was. Dat stigma op geestelijke klachten is er nu ook nog wel, maar ik merk wel dat patiënten meer open staan voor de verbinding.
In mijn werk probeer ik weerstand tegen te gaan. Ik begrijp wel dat sommige patiënten denken 'ja, alles zit tegenwoordig tussen mijn oren'. Op zo'n moment is het belangrijk om ook aandacht te blijven besteden aan de lichamelijke klachten van de patiënt. Dat is moeilijk omdat je als zorgverlener dus steeds op twee sporen moet zitten. De vertaalslag van kennis over comorbiditeit naar de praktijk ontbreek vaak nog. Het is daarom belangrijk dat er meer instrumenten (richtlijnen, behandelplannen) worden ontwikkeld, zodat het ook mogelijk wordt voor zorgverleners om deze inzichten toe te passen.
4. Hoe ziet u de toekomst voor de gezondheidszorg, wat zou u graag veranderen?
Ik vind het belangrijk dat er een plek komt waar patiënten een integrale behandeling kunnen krijgen voor hun lichamelijke én geestelijke klachten. Ik ben nu bezig met het opzetten van een Topklinisch Centrum voor somatoforme stoornissen, die integrale zorg kan bieden. Het zou ideaal zijn als er uiteindelijk meer van dit soort plekken komen, bijvoorbeeld multidisciplinaire huisartsenposten. Bij multidisciplinair denken mensen al snel aan veel overleg en weinig efficiëntie. Het is voor mij daarom een uitdaging om te onderzoeken hoe integrale zorg efficiënter en beter kan worden.